Akkerbouw

Achtergrond 278 x bekeken 2 reacties

Gewasbescherming is zaak van boer en burger

Het convenant gewasbescherming is afgelopen en moet worden geëvalueerd. Doel van het convenant was om de milieudruk op het oppervlaktewater fors te verminderen. Dat lijkt voor een groot deel te lukken. Maar daarmee is de kou nog lang niet uit de lucht.

Gewasbescherming is niet alleen een kwestie voor boeren en tuinders. Al sinds de jaren 60 bemoeien overheden en actiegroepen zich met de middelen die in de land- en tuinbouw worden ingezet – en vooral met mogelijke effecten. Zo is in 2003 het convenant gewasbescherming tot stand gekomen waarin overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties afspraken hebben gemaakt over de vermindering van de milieudruk door gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater.

De middelen die worden gebruikt, dienen de bescherming van het gewas. Maar in de meeste gevallen gaat het om het gebruik van stoffen, die niet voor niets door de agrarisch ondernemers achter slot en grendel bewaard moeten worden. De term gewasbeschermingsmiddel lijkt in het dagelijks gebruik langzamerhand het woord landbouwgif te hebben vervangen – zeker in de vakliteratuur, maar het gaat nog steeds om gifstoffen die een nadelig effect kunnen hebben op gezondheid van mens en dier en op het milieu.

En dat het gebruik van die middelen tot grote zorgen kunnen leiden, bleek afgelopen weekeinde nog eens in een uitzending van het televisieprogramma Zembla, die omstandig verhaalde over omwonenden van bollenvelden, die geen idee hebben wanneer en met welke stoffen hun omgeving bespoten wordt, en – wellicht nog belangrijker – wat de effecten van die stoffen kunnen zijn op hun eigen gezondheid en die van hun kinderen.

Wie een kijkje neemt in de middelenkast van een gemiddelde boer of tuinder kan daar ook niet vrolijk van worden. Enerzijds zijn het de op zich al bijna bangmakende namen als imidacloprid, oxamyl, securo of amistar die de leek angst in kunnen boezemen. En ter versterking daarvan zijn het de andreaskruisen en doodshoofden op de verpakkingen die het gevaar nog benadrukken.
Lelieteler Hans van der Heijden toonde in hetzelfde programma dat die angst niet terecht is, zolang je maar met verstand omgaat met de middelen. Dat is aan de gemiddelde Nederlandse akkerbouwer, bollenteler of tuinder wel toevertrouwd. Maar daarmee zijn de omwonenden nog lang niet gerustgesteld. Of de ongerustheid terecht is of niet, is eigenlijk niet relevant. Het feit is dat omwonenden geconfronteerd worden met de spuitactiviteiten van boeren en tuinders en dat ze er dus ook recht op hebben te weten welke effecten dat op hun leven zou kunnen hebben.
Niet voor niets stelt het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) in een reactie dat eventuele risico’s voor omwonenden te weinig onderzocht zijn om risico’s volledig uit te sluiten. "Het ligt voor de hand dit op korte termijn te onderzoeken", aldus Peter Leendertse van CLM.

Aan de andere kant is in de afgelopen jaren al heel veel gedaan om (ook) de mogelijke risico’s voor omwonenden te beperken. Spuitmachines zijn in de afgelopen jaren veel preciezer geworden, en er zijn driftreducerende maatregelen genomen, waardoor veel minder middelen verwaaien dan eerder het geval was. Bovendien zijn methodieken beschikbaar gekomen, waardoor het aantal bespuitingen kan verminderen.

Ondernemers en loonwerkers die bespuitingen toepassen, mogen dat alleen nog doen als ze beschikken over een spuitlicentie en de aanschaf van middelen is beperkt tot degenen die zo’n licentie hebben. En wie middelen gebruikt, moet daarvan een goede registratie bijhouden.
Dat betekent echter niet dat daarmee alle problemen zijn opgelost. Nog steeds duiken met enige regelmaat verhalen op over ondernemers die in de omliggende landen middelen aanschaffen, waarvoor in Nederland geen toelating bestaat. Het gebruik van die middelen komt nergens in de boeken.

Het argument – vaak in de sector gehoord – dat de gebruikte middelen zijn toegelaten, kan de zorg bij mensen buiten de beroepsgroep niet wegnemen. Telers willen uiteraard niet vervuilen en zeker geen gevaar voor omwonenden veroorzaken.

De huidige inzichten geven aan dat de blootstelling van omwonenden niet echt een reden tot zorg is. De Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur haalt daarvoor een onderzoek aan van het Utrechtse Institute for Risk Assessment Science (Iras). Het Iras constateert op basis van literatuuronderzoek dat de blootstelling aan bestrijdingsmiddelen voor omwonenden en ook voor de gezinsleden van boeren verwaarloosbaar laag is. "Gezien de niveaus van blootstelling lijken gezondheidsrisico’s als gevolg van deze blootstelling daarom bij de huidige inzichten niet waarschijnlijk."

Er zijn nog meer effecten dan directe gezondheidsrisico’s. Kort geleden kwamen de eerste berichten over voor de gezondheid schadelijke resistente schimmels, mogelijk ontstaan door het gebruik van schimmelbestrijders in de land- en tuinbouw. En er zijn voortdurend zorgen over de opstapeling van verschillende middelen. Teler Van der Heijden kwam in de Zembla-uitzending tot de kern van het probleem: de gewassen zijn zo zwak gemaakt, dat ze zonder beschermend gif niet kunnen leven.

Gemeten risico voor omwonenden is laag

Dick Heederik van het Institute for Risk Assessment Sciences (Iras) heeft zich gebogen over de risico’s voor omwonenden bij blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen uit de bollenteelt.
Heederik zegt dat gebruikers van de middelen zelf de grootste risico’s lopen, omdat bij hem of haar de blootstelling het hoogst is. Volgens Heederik is het risico door verdamping van de bestrijdingsmiddelen betrekkelijk gering. Maar daar worden nog wel berekeningen aan gedaan. In het televisieprogramma Zembla werd gesteld dat tot 90 procent van het middel uiteindelijk door verdamping in de lucht terecht kan komen.

Of bestrijdingsmiddelen gevaarlijk zijn voor de gezondheid, wordt bepaald aan de hand van proefdierstudies. Uitgangspunt is dat het gebruik de gezondheid niet mag schaden. Bij de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen door toelatingsinstanties als het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (CTGB), moeten de producenten of toelatingshouders zelf de gegevens daarover verstrekken. Het CTGB doet zelf geen onderzoek.
Heederik haalt onderzoek aan waarbij in urine van boeren en omwonenden is gekeken naar de aanwezigheid van sporen van gewasbeschermingsmiddelen. Daarbij bleek dat boeren zelf regelmatig resten in de urine hadden. Bij omwonenden kwam dat zelden voor en dan nog op heel lage niveaus.

Foto

Laatste reacties

  • no-profile-image

    Ik wil geen afbreuk doen aan de onderzoeken, die gedaan worden op veiligheid van bestrijdingsmiddelen. Eén ding is zeker de onderzoeken worden doorgaans gedaan per soort en niet in combinatie met andere soorten, die nogal eens als concktail voorkomen en / of na elkaar worden toegediend. Zodat de eventuele dampen of nevels onderling zouden kunnen reageren tot een >nieuwe< stof waarvan de werking niet bekend is, hetzelfde geldt voor de residuen van alle gebruikte middelen. Ik denk, dat we als boeren >eerlijk< moeten zijn en moeten bekennen, dat alles over gewasbeschermingsmiddelen niet bekend is en /of door de fabrikanten wordt verzwegen om hun toelating niet mis te lopen. Ik kan me voorstellen, dat er grote ongerustheid bij de bevolking leeft en dat we als landbouw hier niet al te laconiek over moeten doen. We hebben he tover onze afnemers, mischien zouden we er verstandig aan doen. om te trachten de planten sterker te maken, zodat ze meer weerstand hebben en daarnaast de consument overtuigen van he tfeit, dat 100 % gelijke wortels, appels, bloemen of wat dan ook zonder enig insecten vraat een Utopie is die we alleen met chemie kunnen bereiken. Waarom leggen we de bal eens bij de koper in plaats van ons als landbouw steeds te verdedigen.

  • no-profile-image

    Lijkt me niet verstandig de burger in de dialoog te betrekken. Daar waar maatschappelijke organisatie's in de discussie worden betrokken krijgt de emotie en het "mogelijk zou kunnen" de overhand en wordt er niet meer rationeel geoordeeld. In Zembla werd ook een documenttekst onjuist vertaald in het nadeel van de sector. (zie uitzendinggemist) Daar waar de consument beweert dat het toelatingsbeleid op de hand van de sector is, is de sector juist van mening dat het toelatingsbeleid juist gedreven wordt door de "maatschappelijke" organisatie's, daardoor zijn we al veel goede, selectieve middelen kwijtgeraakt (o.a. Dosanex). Daarvoor is het Round-up dweilwerk in de plaats gekomen. Ben ik als teler niet blij mee.

Of registreer je om te kunnen reageren.