De zuivelcoöperaties in Noordwest-Europa zijn bij machte controle te hebben op de prijsvorming van poeder en boter. En daarmee hebben ze dan ook controle over de prijsvorming van zuivelproducten bij afzet in Nederland en het nabije Europa. Krimp bij te lage prijzen eenvoudig de productie en het aanbod op de wereldmarkt zal afnemen en de prijs zal omhoog gaan.
Dat, in het kort, is de strekking van een plan van twee Flevolandse melkveehouders (zie pagina E8). Bij een prijs onder 30 cent per kilo moet de productie bij alle coöperatieve melkveehouders ineens 5 procent omlaag. Let op: 5 procent ten opzichte van een jaar eerder. Helpt de maatregel niet en zakt de prijs onder de 27,5 cent, dan moet er nog eens 5 procent af. Bij prijsstijging mag de productie weer groeien.
De twee vinden dat de coöperaties moeten denken aan meer dan alleen een efficiënte melkverwerking om zo met een relatief goede melkprijs uit de bus te komen. Dat wil zeggen: een halve tot enkele centen per kilo beter dan de coöperatie of particuliere melkfabriek in de buurt. Het gevecht zou weer moeten gaan om een absoluut niveau, om een melkprijs boven de kostprijs.
Of dit plan het ei van Columbus is, is de vraag. De markt zit uiterst gecompliceerd in elkaar en eenvoudig klinkende oplossingen zijn lang niet altijd effectief. Nog afgezien van het gegeven dat het nog niet zo eenvoudig is om alle coöperatieve koeienboeren in Noordwest-Europa achter het plan te krijgen.
Maar de twijfel neemt opnieuw niet weg dat de coöperatie Royal FrieslandCampina (RFC) het serieus moet nemen. Bij de fusie beloofden Friesland Foods en Campina een goede melkprijs ten opzichte van de omgeving. Met het vooruitzicht van een groeiende melkproductie na 2015 én het feit dat een duurzaam bedrijf een melkprijs van 32 cent zeker nodig heeft, doet het categorisch ‘néé’ tot nu toe van RFC op iedere vorm van productiebeheersing of A- en B-prijzen schraal aan.












