Na die eerste klank volgden niet veel later BÈH (schaap) en KNOR (varken). In de loop der jaren heb ik heel wat onomatopeeën gebruikt. Een kleine bloemlezing:
TUDELUDELUU: Een telefoon.
FLETS: Een mobieltje dat in een koeienvlaai valt.
KNERP: Een pocket-pc waar een trekker overheen rijdt.
VROAP of VROEM: Een trekker.
ZAAG KLOP HAMER: Opa aan het klussen.
KLAK: Een bunzingklem die dichtklapt.
VROAR VROP ROAR: Crossmotoren.
PSCHHHT: Een hogedrukspuit.
BRROEMMM..: Een instortend schuurtje.
KLOEK KLOEK KLOEK: Een omgevallen jeneverfles die leegloopt.
ROOÔÔH: Een giertank die volgepompt wordt.
WAKWAKWAK: Boze ganzen.
KNISPER KNISPER: Een nieuw briefje van 250 euro.
WOESZZ: Een steekvlam.
PFRSLT: Een schaap dat haar tong uitsteekt.
PLOEMP: Bertus springt in de sloot.
PLOMP: Opa valt in de sloot.
WOEI HOEI: Harde wind.
KRETZ: Een klomp door een raam.
SCHRZZ: Opa die het schrikdraad vastpakt.
WOING: De springveer van een wipkip.
KLEP KLEP KLEP: Een klepmölle.
WOESH: Een ventilator.
PIEF PAF POEF: Jagers in het bos.
RROMMELDEBOM: Rollende bieten.
In de strip van de aankomende week hoort Opa het volgende geluid:
TSJ ... RRR PSCH.. PSCH... PSCH..
Wat zou dat nu weer kunnen betekenen?












