Via Europese richtlijnen is vastgesteld dat dieren van zeldzame rassen bij uitbraken van besmettelijke dierziekten niet geruimd hoeven worden, om zo de populatie van de zeldzame dieren te behouden. "Maar dan moet wel duidelijk zijn waar de dieren van deze zeldzame rassen worden gehouden", zegt voorzitter Geert Boink van de SZH. In de huidige registratiesystemen is dit niet zichtbaar.
Bij een uitbraak van een besmettelijke dierziekte mag de SZH aangeven welke rassen op bepaalde plekken gespaard moeten blijven om de soort in stand te houden. In de praktijk blijkt dat niet altijd haalbaar. "Bij Q-koorts hebben we het ook geprobeerd. De schapen op de twee besmette melkschapenbedrijven behoorden tot het zeldzame ras Fries Melkschaap. Maar de volksgezondheid was van groter belang, daarom zijn de dieren toch geruimd", zegt foktechnisch inspecteur Hinke Fiona Cnossen van SZH.
Tijdens de MKZ-crisis in 2001 zijn 605 dieren geruimd van 30 bedrijven. "Dit lijkt niet zo veel, maar voor de genetische basis van de rassen is het dat wel", legt Cnossen uit. Het aantal dieren van zeldzame runder- en schapenrassen is sinds 2001 verbeterd. "Van het Brandrode Rund zijn nu bijvoorbeeld 520 dieren. Maar de genetische basis is smal, omdat er in 2001 nog 141 dieren van dit ras waren", zegt Cnossen.










